Column Bart Obbels 'Vanuit het duivennest' : "Nieuwjaarsbrief voor mijn grootmoeders"
Column Bart Obbels 'Vanuit het duivennest'
Nieuwjaarsbrief voor mijn grootmoeders
Liefste grootmoeders,
Het is alweer een tijdje geleden dat ik afscheid van jullie moest nemen. Moe Grobbendonk en moemoe Pulle, want dat waren jullie aanspreektitels, ik begin mijn brief met te zeggen dat ik jullie enorm mis.
Moemoe Pulle, jij verloor je man op het einde van de oorlog toen het fatalisme toesloeg en hij op weg naar zijn werk getroffen werd door een bom die naast de jongensschool in Pulle insloeg. Mijn vader was zeven en de oudste in een kroost van zes kinderen. Om een lang verhaal kort samen te vatten: het kwam allemaal goed en ik durf oprecht zeggen dat mijn tantes en nonkels als keurige en goedhartige mensen door het leven wandelden en wandelen. Het moet emmers tranen hebben gekost, maar dat hoorde ik je nooit zeggen in onze gesprekken over die periode. Hoe overleeft een mens dat, ik zou breken.
Moemoe Pulle, bij jou in de woonkamer hing boven de deur de spreuk: ‘Hij is geen man die niet roken kan’ en toen ik als jonge tiener op bezoek kwam, zei je steevast dat er een pakje Belga in de kast lag en ik een sigaret mocht opsteken. Zelf rookte je niet, maar roken werd destijds nog niet geassocieerd met een grote kans op longkanker en het presenteren van een sigaret aan een jongeling die van zijn ouders absoluut niet mocht roken, was een soort groet aan de nakende volwassenheid. Maar moemoe Pulle, je was zoveel meer dan deze anekdote. Je was ook de pistolet met veel boter en paardenvlees na de vroegmis op zondag als ik was blijven slapen. De quatre quart-taart op mijn verjaardag, de bemoedigende woorden bij een slecht rapport…
Moe Grobbendonk, jij woonde naast mijn huis. Ik at dagelijks bij jou omdat het middagmaal in tegenstelling tot thuis altijd om 12 uur stipt op de tafel stond en jij telkens bruine saus maakte voor mij. Een scheut water, een lepel oxo bij de roomboter waarin het vlees was gebakken en alles wat binden met bloem: ik maak het nu voor mijn kleinkinderen en die smullen ervan net zoals ik destijds. Je kookkunst was slechts een detail, want ik keek ’s avonds ook tv bij jou, mocht met jouw auto naar school rijden toen ik 18 werd en zoveel meer. Toen je afhankelijk werd van zorghanden en naar het rusthuis verhuisde, vroeg je uit je tuin twee nog jonge planten uit te doen en op het stuk bouwgrond te planten dat ik samen met mijn vrouw en twee kindjes had gekocht. Beide groeien en bloeien nu ruim 30 jaar in onze tuin. De taxus flirt inmiddels met een hoogte van vijf meter en de struik met de vreemde naam kardinaalsmuts glundert als middelpunt in mijn rozentuin. Ze zijn mijn dagelijkse begroeting aan jou en mijn herinnering aan de zorgeloze tijd als kind onder jouw vleugels.
Want, lieve grootmoeders, luister even goed. Ik bereikte inmiddels zelf de leeftijd dat je af en toe stilstaat bij het feit dat onze doortocht in de tijd niet eindeloos is. Ik heb daar nooit veel last van gehad, tot het besef dat het reilen en zeilen op deze wereld ietwat uit balans is geraakt. Je weet wel de schok zoals in het lied van Pink Floyd ‘The Thin Ice’ met de frase: ‘Don’t be suprised when a crack in the ice appears under your feet.’ Waanzin in de vorm van oorlogen op het slagveld en in de wereldhandel, wereldleiders die een opbod doen met hun zelfverheerlijking, verslaving niet aan liefde maar aan drugs, sociale armoede achter de hoek, kinderleed in Gaza, Oekraïne en andere donkere oorden en vul de lijst van ellende en ondermijning van een toekomst in rozengeur en maneschijn maar verder in.
Was dat in jullie tijd ook zo geliefde grootmoeders? Allicht maar toch niet in deze mate. Ik heb het in elk geval nooit zo ervaren. Wat ik wel zeker weet, is dat er in jullie leefwereld geen sprake was van artificiële intelligentie en de rist sociale media apps. Mensen praatten nog met elkaar en kinderen speelden met elkaar. Akkoord het plakt allemaal een beetje aan de technische revolutie door de tijd heen, maar het verontrust me, al wil ik helemaal geen doemdenker zijn.
Een van de successongs van Pommelien Thijs draagt de titel ‘Het beste moet nog komen’. Het lied staat vooral in het teken van een verkeersveiligheidscampagne dat je je toekomst niet moet laten stelen door onder andere gsm-gebruik op de fiets. ‘Als het morgen is en ik, kom je niet meer tegen. Is dit het dan?’, zingt Pommelien. Het benadrukt de broosheid van het leven, voor jong en oud. Daarom lieve grootmoeders, hoop ik dat in het nieuwe jaar alles een beetje gaat kenteren en het liedje Imagine van John Lennon de nieuwe wereldwijde virus wordt die van ons allen niet louter dromers maakt van een betere wereld.
En nog dit liefste grootmoeders, wat de vraag van Pommelien Thijs in haar liedje: ‘Is dit het dan’ betreft, weet ik het antwoord van jullie. De dood is helemaal niet het einde, want jullie waren diepgelovig. Niet zozeer in het kerkelijk instituut, maar in het goede. Jullie zullen me straks dan ook opwachten daar ergens. Niet met lege handen, maar met rijstepap - gemaakt op grootmoeders wijze - die we dan eten met gouden lepeltjes. Zeker weten.
Journalist Bart OBBELS